Andrew Groeneveld: Tevreden voor de buis
19-11-2014 09:50:00 | Hits: 3733 | columnist: Andrew Groeneveld | Tags:

Het Commissariaat voor de Media (CvdM) publiceerde deze maand een lezenswaardig document: de Mediamonitor 2013-2014 met veel aandacht voor het kijkgedrag van de consument. Het rapport gaat uitvoerig in op de rol van pakketaanbieders als UPC, Ziggo en KPN en schetst de krachtsverhoudingen tussen NPO, RTL en SBS.

Het CvdM heeft voor deze gelegenheid ook de tevredenheid over de aangeboden tv-pakketten onderzocht. Het aantal zenders en de kwaliteit daarvan blijkt van invloed. Digitaal vinden we als klant fijner dan analoog. En hoe groter het pakket, hoe tevredener we zijn. Het lijkt me allemaal nogal wiedes, maar evengoed is het belangrijk leesvoer voor wie de ontwikkelingen nauwgezet volgt.

Echter, in het rapport ontbreekt volgens mij één ding. En dat is invloed van de afstandsbediening. De vraag welke zender onder welke knop zit, lijkt mij uiterst relevant. NPO1 op 1 onthoud ik nu eenmaal beter dan mijn regionale omroep op 508.

Kabelaars en digitale aanbieders hebben een doorgifteplicht voor Nederlandse en Vlaamse zenders, het zogeheten must carry-principe. Maar als het om de volgorde gaat waarin die zenders te vinden zijn, is er behoorlijk veel vrijheid. Zo kan het gebeuren dat ik mijn favoriete themakanaal telkens pas na langdurig zappen weet terug te vinden in het enorme aanbod, waarover ik volgens deze studie zeer tevreden ben.

Ik geef toe dat mijn bescheiden geheugen geen uitgangspunt moet zijn voor het inrichten van een pakket. Maar volgens mij ben ik niet de enige die met dit probleem worstelt en is de plek van een zender wel degelijk relevant voor ons kijkgedrag. Daar komt bij dat het digitale abonnement - anders dan vroeger met de analoge buis – mij niet toestaat de kanalen een beetje overzichtelijk te rangschikken.

Jarenlang werkte ik bij een regionale omroep – precies, die van kanaal 508 – en de onophoudelijke daling van het aantal tv-kijkers hield bij ons de laatste jaren gelijke tred met de opkomst van het digitale kijken. Je zou haast gaan denken dat er een verband bestaat. Dat deed in elk geval de koepelorganisatie van regionale omroepen (ROOS), die veelvuldig op de stoep bij de Haagse politiek bivakkeerde om daar te pleiten voor een meer ‘zichtbare’ plek. Lovenswaardig, en tevergeefs.

Nu speelt de staatssecretaris met het oude idee om de regio’s een extra plek te geven op één van de NPO’s en zo het bereik van deze publieke voorziening eindelijk eens te vergroten. Dat is heel mooi. Maar veel regionale zenders bedienen al jarenlang een compleet volwassen kanaal en willen graag dat die ook beter vindbaar worden.

Het is helaas een onderwerp, waaraan het CvdM niet veel woorden vuilmaakt. Letterlijk staat er in de Mediamonitor: ‘Vervolgonderzoek in 2015 is nodig om na te gaan hoe binnen de zendergenres de diversiteit van aanbieders zich ontwikkelt en of zorgen die daarover leven in de Tweede Kamer terecht zijn. Vanuit de markt zijn signalen opgevangen over de benarde positie van aanbieders van kleinere zenders binnen het televisieaanbod. Vervolgonderzoek zal ook hier aandacht aan besteden.’

Het is een beetje weinig en een beetje laat. Meer aandacht voor zenderposities had de energievretende stammenstrijd tussen landelijke en regionale omroepen wellicht op voorhand kunnen bedaren en de omstandigheden voor samenwerking kunnen verbeteren. Ik zou daar, ook als kijker, best tevreden mee zijn geweest.